Het
liturgisch handelen is het wezen van alle werk. Waarom ontwikkelt een
van de meest contemplatieve orden dan zoveel industriële, ambachtelijke en
commerciële activiteit? Het gaat om meer dan pragmatische, prozaïsche redenen,
niettegenstaande Sint-Benedictus deze in zijn Regel voor Monniken vermeldt:
“Pas dan zijn het echt monniken, wanneer ze van het werk van hun eigen handen
leven.” Monniken moeten instaan voor hun eigen levensonderhoud.
Het werk heeft naast een pragmatische ook een ‘wezenlijke’
betekenis. Voor de grote Duitse filosoof Hegel betekent de arbeid een ‘negatief
moment’: het gaat in de arbeid om de ‘negatie’ van het onbevredigende van een
feitelijke situatie, die door de arbeid wordt ‘opgeheven’. Ze wordt ‘ongedaan
gemaakt’ en tegelijk ‘tot een hogere orde gebracht’. Door de arbeid zet men een
stap voorwaarts, waarbij men tegelijk zelf groeit als persoon.
Indien de arbeid kan beschouwd worden als de ‘handeling’ in
de sterkste betekenis van het woord, dan kan men met Maurice Blondel zeggen dat
het door de handeling van de arbeid is dat men mogelijk maakt, en dat men pas
ziet dat het mogelijk is, wat niet mogelijk is voor het denken alleen. In het
arbeidzaam handelen openen er zich onvermoede en onverwachte perspectieven.
Daarom beantwoordt de arbeid aan dezelfde structuur als de
liturgische handeling: er vloeit een effect uit voort ex opere operato , ‘op
grond van de handeling zelf’, ongeacht de handelende persoon. Een effect dat
niet het onmiddellijke resultaat is van de intentie van de handelende persoon.
Zo komt het dat de monniken ‘ondanks henzelf’ bijgedragen hebben tot het
ontstaan en de ontwikkeling van de economie en de moderne democratie.