Sedert lang bidden de monniken op alle belangrijke momenten
van de dag en zelfs van de nacht. Tijdens de nachtwake, bij het aanbreken van
de dageraad, in de voormiddag, op de middag, na de middag, in de vroege avond,
bij het invallen van de duisternis en bij het begin van de nacht.
Deze getijden worden nog met de oude benamingen aangeduid,
respectievelijk: vigilie, lauden, terts, sekst, noon, vespers en completen.
Daar zit onder meer een verwijzing in naar een oude uurregeling: het eerste uur
van de dag was wat nu zes uur ’s morgens is. De noon is bijvoor¬beeld het gebed
op het negende uur van de dag en zou omstreeks drie uur na de middag moeten
vallen. Ons woordje ‘noen’ is er van afgeleid. Het woord ‘lauden’ bijvoorbeeld
wijst op de lofpsalmen die gezongen worden bij het aanbreken van de dag en het
woordje ‘vespers’ verwijst gewoon naar de avond. In ‘completen’ zit het woordje
‘compleet’: de dag is ten einde en wordt biddend afgesloten
Sint-Benedictus stelt in zijn Regel echter voor deze uren
zo te vervroegen of te verlaten dat er bruikbare tussentijden ontstaan voor
werk of lezing en persoonlijke gebed.