De arbeid is ook dienst aan de gemeenschap van de broeders.
En Sint-Benedictus kent bovendien nog een spirituele waarde toe aan de arbeid:
“Niets omhanden hebben is schadelijk voor de mens!”. Monniken moeten – en
kunnen – niet alleen met geestelijke zaken bezig zijn: “Op gestelde tijden
moeten ze handenarbeid verrichten.”
Sint-Bernardus van zijn kant zegt: “Wat ontbreekt om de
boeken te verstaan, zul je bij het werk wel vinden! Op deze manier kan het hout
en de stenen je veel meer leren dan de befaamdste meesters!” Zo bezien kan men
de arbeid zélf beschouwen als een vorm van … ‘lezen’! Zo ‘leest’ men – al
werkende en al doende – in het Boek van de Natuur als het ware in het Éne Boek
van God.
De monniken hebben een voorkeur voor eenvoudige
handenarbeid. Deze is immers het meest bevorderlijk voor de beleving van de
eenzaamheid en het gebed. Wat niet wegneemt dat ook administratief werk
noodzakelijk is. Of intellectueel werk, voor de persoonlijke verdieping en die
van anderen. Arbeid zelf wordt gebed, wanneer hij maar in Gods aanwezigheid
wordt verricht.
In de arbeid beleeft de monnik ook zijn solidariteit met
alle mensen die moeten instaan voor hun eigen levensonderhoud. Hij is immers
pas écht monnik “wanneer hij leeft van zijn handenarbeid”, aldus
Sint-Benedictus. Deze solidariteit wordt heel concreet in de samenwerking met
werknemers.