Na de 'gouden twaalfde eeuw' begon de Orde van Cîteaux
spoedig tekenen van verval te vertonen. Er ontstond opnieuw een discussie onder
de monniken, deze keer over de juiste beleving van het cisterciënzerideaal. Er
ontstonden twee groepen: enerzijds zij die een gematigder monastieke levensvorm
voorstonden, en anderzijds zij die aanstuurden op gestrengheid en
boetvaardigheid. Bij de laatste groep sprak men van ‘l’étroite observance’ of
'de strikte observantie'.
Er drong zich een nieuwe hervorming op. We zijn intussen in
de zeventiende eeuw. Abt Armand-Jean le Bouthillier de Rancé – kortweg ‘Abt de
Rancé’ – voerde de hervorming voor het eerst door in zijn klooster La Trappe.
Geleidelijk namen vele kloosters van de Orde de hervorming over tot er
uiteindelijk een nieuwe Orde ontstond: de ‘Orde van de Cisterciënzers van de
Strikte Observantie’, meestal Trappisten genaamd. Dit naast de ‘Orde van de
Cisterciënzers van de Gewone Observantie’, die trouw bleef aan de gebruiken op
dat moment.
In zijn interpretatie van de Regel van Sint-Benedictus en
zijn verstaan van de spiritualiteit van Cîteaux, knoopte Abt de Rancé opnieuw
aan bij de traditie van de oude monniken uit de woestijn van Egypte in de derde
eeuw.