Niettegenstaande steeds wisselende tijdsomstandigheden
blijft het monnikenleven in wezen onveranderd. Het leven in gemeenschap blijft
tegelijk een genade en een opgave, omdat de gemeenschap de concrete situatie is
waar de monnik God kan ontmoeten in iedere broeder en in iedere gebeurtenis.
Leven in gemeenschap staat daarom nooit los van een leven
van gebed. We kunnen het zelfs zo stellen dat leven in gemeenschap per
definitie een leven is van gebed, omdat in de gemeenschap van de broeders ‘het
gebed van het leven’ wordt aangetroffen.
Daarom is de ruimte waar de broeders op de eerste plaats
gemeenschap vormen de bidplaats van het klooster. Het moment van gemeenschap
bij uitstek – het moment van communio – is de Eucharistie, die in de bidplaats
gevierd wordt: de Maaltijd waartoe de Heer ons iedere dag weer uitnodigt.
De Maaltijd des Heren vindt zijn voortzetting in de
tafelgemeenschap in de refter. Na de bidplaats en het kapittel, is de refter
immers de derde ruimte waar de gemeenschap verzameld is als geheel. Tijdens de
maaltijden vormen de broeders één grote familie. Het eten is sober maar er
wordt voldoende opgediend en de gerechten zijn voedzaam. Daarbij is men het
woord van Sint-Bernardus indachtig: “Hou je lichaam in goede gezondheid om je
Schepper zoveel te beter ten dienste te kunnen staan!”
Tijdens de maaltijden wordt er voorgelezen uit een boek.
Tegelijk met de lichamelijke spijs, worden de monniken gevoed met het
geestelijke voedsel van het woord. Alhoewel hier meestal religieuze,
maatschappelijke en culturele thema’s aan de orde zijn.
Zoals in een grote familie “moeten de broeders elkaar
dienen in liefde”, naar het woord van Sint-Benedictus: “In iedere medemens
ontmoeten we Christus”. Vooral de zieken en de ouden van dagen worden “gediend
als Christus in eigen persoon”. Heeft Christus niet gezegd “Ik was ziek en jij
hebt mij bezocht”? Sint-Benedictus beveelt de monniken aan geheel en al te
geloven dat Christus aanwezig is in iedere broeder.