Om volgens de
vier geloften te leven, beantwoorden de monniken de roepstem van God om
binnen te treden in de ‘School voor de Dienst van de Heer’. Na een proeftijd
van vijf jaar, waarin hun roeping zich kan bevestigen en verdiepen, kunnen de
toekomstige monniken zich door hun plechtige geloften voor goed aan de
gemeenschap binden.
Dat wil niet zeggen dat deze geloften de monniken de
waarborg bieden dat ze vanaf dat moment naar eigen goeddunken over het geluk
kunnen beschikken. Momenten van ongeloof, strijd en onmacht, van vertwijfeling,
onbegrip of schrijnende eenzaamheid, waarbij men zich opgesloten voelt en
tastend voortgaat in nacht en mist, uitziend naar het licht, wachtend op de
morgen… zijn met de geloften niet eens en voor goed uit de weg geruimd. In deze
uiterste hulpeloosheid zullen de monniken echter God toch nog nabij weten en
ervaren ze doorheen duisternis en verlatenheid de aanzet van Gods Genade,
waarmee Hij alles in allen tot stand brengt.
Falen noch tekortschieten kunnen de monniken ervan
weerhouden te volharden in die eindeloze poging om telkens weer op weg te gaan
en te leren leven in en vanuit Gods Aanwezigheid en deze te ervaren in diepe
dankbaarheid.