De gemeenschap van Westmalle is de gemeenschap van de
overleden en nog levende broeders die sinds de stichting van het klooster in
1794 daar geloften van
stabiliteit gedaan hebben.
De eerste monniken die ooit in Westmalle belandden waren
afkomstig van het Normandische klooster La Trappe. Tijdens de Franse Revolutie
waren ze voor het steeds ongunstiger en hatelijker wordend klimaat ten aanzien
van priesters en religieuzen op de vlucht gegaan. Na heel wat omzwervingen – er
wordt van een ‘Odyssee’ gesproken – kwam een groepje monniken in Antwerpen aan.
De monniken waren van plan in te schepen voor Amerika. De toenmalige bisschop
van Antwerpen verzocht hen echter in zijn bisdom te blijven. Hij wees hen een
kleine boerderij toe: de hoeve ‘Nooit Rust’. Deze naam – ongetwijfeld ooit
bedoeld voor de noeste handenarbeid op de hoeve en op het veld – staat nog
altijd symbool voor het ongedurige zoeken naar God van de monniken, waarbij ook
zij in feite ‘nooit rust’ vinden.
De kleine hoeve werd aanvankelijk ingericht als klooster.
Toen het aantal monniken begon toe te nemen, werd ze alsmaar uitgebreid. In
1836 werd het klooster tot abdij verheven. Uiteindelijk werd op de plaats van
de oude hoeve 'Nooit Rust', begonnen met de bouw van wat rond 1900 het huidige
klooster geworden is. In de dertiger jaren van de twintigste eeuw werd het
kloostercomplex uitgebreid met een vernieuwde koeienstal en een nieuwe
brouwerij.