De monniken gaan al vóór dag en dauw naar het koor, voor
een lange nachtwake van lezing en gebed. Dat doen ze om God te bidden hen bij
te staan in die eindeloze poging om Hem te ontmoeten, en te kunnen leven in en
vanuit Zijn aanwezigheid. Daarom ook laten ze zich in de loop van de dag nog
vijf keer oproepen om God toe te spreken, te loven, te danken en te smeken.
In het Boek der Psalmen vinden de monniken de woorden om
uit te zingen wat er leeft in hun eigen hart en in heel de wereld. Het
hoogtepunt bereikt dit liturgische gebed in de dagelijkse viering van de
Eucharistie. Door dit liefdesmysterie stelt de monnik zijn leven in het teken
van Jezus’ sterven en verrijzen.